Ik ben Charles Meiling en ondanks mijn strijd met dyslexie heb ik een weg afgelegd, waarbij ik mijn creativiteit, doorzettingsvermogen en vastberadenheid heb ingezet om succes te behalen.
Lees hieronder mijn verhaal.
Ik stond trillend op mijn benen op het natte wegdek, terwijl ik mijn autosleutels uit mijn jas probeerde te grissen. Auto’s raasden om me heen en veroorzaakten een gekrioel van heen en weer schietende lichtjes en geluiden. Ik wilde hier zo snel mogelijk vandaan. Weg uit deze onbekende stad en terug naar de vertrouwdheid van rustige landwegen, de dorpskerk en de voorspelbaarheid van eentonige straten met verzorgde woningen.
Waar waren die verdomde sleutels? Hoorde dit soms ook bij het zorgvuldig geplande complot om mij tijdens de coaching van vandaag te krenken? Krenken, was dat het wat ik voelde? Ik haalde een paar keer diep adem. Zachtjes fluisterde ik het woord dat ik nooit eerder had geproefd. ‘Gekrenkt zijn’ was je wanneer je je liet raken, wanneer je anderen toestond jou pijn te doen. Pijn doordat ze je kwetsen of beter nog: kleineren. Ja, dat was de juiste term. Ik voelde me gekleineerd. Tijdens de eerste dag van de coaching. Coaching die nog drie dagen zou duren en die notabene mij en mijn baas een flinke duit had gekost.
Ik probeerde mijn handen tot rust te brengen en gaf de zoektocht naar de autosleutels op. Ik leunde tegen mijn natte auto en keek naar het gebouw dat ik zojuist had verlaten. Ik had nog steeds het gevoel dat ze naar me keek. Mijn coach met haar priemende ogen en enigszins spottende glimlach op haar gezicht. Met mijn één meter vijfennegentig stak ik zeker veertig centimeter boven haar uit, maar toch had zij me met een blik en één zinnetje in een vrije val gebracht. Ik keek naar de plassen op de straten en verzette me tegen het aandienen van die ene zin, die me zo gekleineerd had. Toen mijn dwalende blik uiteindelijk bij mijn zwarte schoenen uitkwam, herinnerde ik me haar woorden feilloos: “Probeer eens te lopen, in plaats van te zweven.” Hoe had in hemelsnaam een dergelijke alledaagse zin me zo uit het veld kunnen slaan?
De manager van het uitvaartcentrum had me de persoonlijke coaching aangeraden. Niet dat hij ontevreden was over mijn functioneren. Integendeel, sinds we nauw samenwerkten stegen de cijfers en liep het uitvaartcentrum op rolletjes. Hij had me zelfs gepromoveerd tot kwaliteitsadviseur en daarmee kreeg ik alle vrijheid om zaken te verbeteren. Ook het team van rouwdienstmedewerkers en grafdelvers liep met me weg. De enige sta-in-de-weg van mijn carrière was, zo had de manager gezegd, dat ik nogal ‘kinderachtig’ mijn mailtjes opstelde. Kinderachtig en vol spelfouten.
Toen hij me daarmee confronteerde, haalde ik mijn schouders nonchalant op en mompelde dat ik ietwat dyslectisch was. De manager zette zijn bril op, herhaalde gewichtig het woord ‘dyslectisch’, alsof hij zojuist een belangrijke diagnose had opgesteld. Vervolgens pakte hij zijn iPad en begon te googelen naar coachingtrajecten op het gebied van dyslexie. Want nu mijn probleempje een naam had gekregen, was de oplossing nabij. De juiste coaching zou de oneffenheid rondom mij wegpoetsen, zodat ik nog beter zou presteren op het uitvaartcentrum. Ja, dat moest, want hij had grootse plannen met mij.
Voorzichtig deed ik een paar passen bij mijn auto vandaan. Ik zou een stukje gaan lopen. Ja, lopen om even op verhaal te komen. Tijdens de wandeling door de stad zou ik een legitieme reden bedenken om niet meer terug te hoeven keren naar deze onaangename coach. Terwijl mijn voeten voorzichtig de plassen op het wegdek meden, keek ik voor me uit en bepaalde ik mijn richting. Ik zag de Schreierstoren en besloot die kant uit te gaan. Een punt op de horizon bepalen en daarop afgaan. Zo had ik altijd mijn weg uitgestippeld. En als ik dan misschien op weg daarnaartoe meer zweefde dan liep, wat dan nog.
Net voordat ik wilde oversteken, sprong het stoplicht op rood. Ik staakte, omringd door andere voetgangers, abrupt mijn pas en weer hoorde ik die verdomde zin: “probeer eens te lopen.” Ik voelde de zwaarte van mijn lichaam op het wegdek drukken. Auto’s zoefden meedogenloos voorbij en geschrokken van mijn eigen gewicht sloot ik mijn ogen. Het geraas van de voorbijrijdende auto’s pijnigde mijn oren, en het gevoel dat ik tijdens de coaching had weten weg te drukken diende zich nu in alle hevigheid aan.
Ik voelde me uitgeput en te log om me voort te bewegen. De stroom voetgangers echter dwong me om in beweging te komen, toen het licht weer op groen sprong. Ik probeerde mijn passen aan te passen aan de anderen, maar wist niet te voorkomen dat men me met gemak inhaalde. Ik bereikte als laatste de overkant. Met een wazige blik probeerde ik me te oriënteren op het doel van mijn korte wandeling. In de verte zag ik onscherp de toren opdoemen en ik dwong mezelf die richting uit te lopen.
Waar was het misgegaan? De coaching moest me van een klein hobbeltje in mijn leven afhelpen. Het zou me leren te lezen en e-mailtjes op een nette manier op te stellen, zodat ze me ook op dat gebied serieus zouden nemen. Zodat ik mijn carrière voort kon zetten en mijn manager niet zou teleurstellen. Ja, ik wilde mijn carrière gewoon doorzetten: hardwerkend, sociaal handig laverend tussen de collega’s en altijd uitblinken en opvallen. Zo had ik het al vijftien jaar gedaan. Ik had goddomme zonder diploma’s en het dyslexieprobleem handig omzeilend, gezorgd altijd boven anderen uit te steken. Wat was daar mis mee en waarom kon ik zo niet doorgaan?
Ik was nu vlakbij de Schreierstoren en leunde uitgeput op de natte reling van een brug. Ik probeerde te reconstrueren hoe de dag was verlopen. Mijn coach had me eerst uitgelegd dat er lijndenkers en beelddenkers waren en dat mensen met dyslexie tot de laatste groep behoorden. Ik had geluisterd en me erin herkend. Toen ze zei dat beelddenkers razendsnel waren in het bedenken van oplossingen, had ik gelachen en enthousiast geknikt. Tot dat moment had mijn coach me wel een dame geleken die het prima op een rijtje had en met wie ik het de komende dagen goed zou weten te vinden. Ze wist er veel van, had zelfs een boek geschreven en ik herkende me in het beeld dat ze schetste van dyslectici.
Ik zou in vier dagen snel leren lezen en foutloos e-mailtjes leren opstellen. Ongeduldig had ik aan de taaloefeningen willen beginnen. Alles conform de website en offerte van het coachingbureau. Ze had echter voorgesteld om eerst wat door de ruimte te ‘lopen’. Zij was zelf blijven zitten, terwijl ze mij verwachtingsvol had aangekeken. Ik had vervolgens ongemakkelijk op mijn stoel heen en weer geschoven en was ten slotte toch maar opgestaan. Terwijl zij me met haar ogen volgde, liep ik de ruimte door. Doe je ogen maar dicht, had zij gezegd. Ik had mijn tred aangepast en voelde me volkomen belachelijk. Toen schoof zij me die ene zin toe, die me vervolgens uit het lood had geslagen. Of was het eerder de blik die ik in haar ogen zag, toen ik verschrikt mijn ogen weer had geopend? Het was alsof op dat moment iets van me werd afgepakt. Iets wat me had geholpen me te blijven voortbewegen in mijn leven. Mij overeind had gehouden, terwijl overal om me heen de vijand op de loer lag. Juist door dit enigszins op mijn tenen lopen – wat zij zweven noemde – zou niemand me kunnen tackelen. Dat maakte me ongrijpbaar, altijd op mijn hoede en sneller dan wie dan ook om te reageren.
Ik zag neer op de rimpelingen van het water in de gracht. De lichtjes van de huizen, de lantaarns en auto’s reflecteerden op het water. Vormen liepen in elkaar over en mijn blik probeerde de beelden hun vertrouwde vaste vorm terug te geven. Ik haalde zwaar adem. Hoe kon één simpele zin een geheim openbaren, terwijl ik zelf niet eens had geweten dát ik een geheim met me meedroeg? Ik was ooit getest op dyslexie, maar de uitslag had me toen niet veel gezegd. Ik had er na de uitslag ook niet echt een groot probleem van gemaakt. Het was lastig, maar ik zou sluwer zijn dan deze handicap.
Ik voelde me misselijk en snel leunde ik dieper voorover over de reling. Op het water zag ik in alle deiningen en golfjes nu ook mijn eigen spiegelbeeld. Ik zag mijn gezicht en bovenlijf als een mozaïek van kleine fragmentjes, alsof ik daar zelf in de gracht uiteendreef en oploste. En dat was precies het beeld dat ik meende gezien te hebben in haar blik naar mij. Dat zij mij aanzag en niet zag als een sterke vent van één meter vijfennegentig met een mooie maatschappelijke positie. Nee, zij keek en zag dat ik niemand was.
Ik was niemand. Dit besef had ik misschien onbewust altijd al met me meegedragen, maar ik had het weten te verbergen voor mezelf en vele anderen. Voor mijn schooljuf die me met mijn gestotter bij het lezen voor dom uitmaakte. Voor mijn examinator op de lagere hotelschool die niet begreep hoe iemand die zo excellent presteerde in de keuken, zo slecht scoorde op zijn theorie. En zelfs voor mijn huidige manager die me blind vertrouwde, omdat slechts de resultaten hem interesseerden en hij niet wist dat ik vele overuren draaide en die niet altijd schreef.
Ik keek naar de beelden in het water die mijn gezicht vervormden, terwijl ik in gedachte de zin herhaalde: “ik ben helemaal niemand.” Vanonder de brug dreef zwerfvuil: een schoen, een blikje en een pagina van een krant. Ik staarde naar het voorbijdrijvende stuk papier. Zelfmedelijden was wat ik voelde toen ik de tranen liet komen. Niemand die me zag en niemand die zou snappen dat het besef ‘niemand te zijn’ me zowel pijnlijk raakte als enorm opluchtte. Pijnlijk, omdat ik door mijn dyslexie zoveel had gemist in het leven, maar ook opluchtend, omdat dit moment voelde als een nieuwe kans. Een kans om minder hard mijn best te hoeven doen en meer te leven vanuit wie ik was, mét mijn dyslexie. Een handicap die volgens mijn coach helemaal geen handicap hoefde te zijn, mits ik er eerlijk en open over durfde te zijn.
“Ik ben helemaal niemand”, herhaalde ik nog één keer hardop en ik draaide me om. Ik zou naar mijn auto lopen. Ik glimlachte om het woordje ‘lopen’. Ik zou kalm proberen te lopen, zonder van tevoren het punt op de horizon te bepalen. Gewoon in het hier en nu, eenvoudig lopend. Ik snapte nu wat zij bedoeld had met die ene zin. Ik liep en ik zou morgen terugkomen voor het vervolg van de coaching. Ook als ik nogmaals voor haar ogen zou moeten lopen. Ik zou lopen als in een ontdekkingsreis naar de persoon wie ik werkelijk was.